Een kind leest op de Zevenster Basisschool
Ons onderwijs

Basisschool

I · Klas 1 (Groep 3)

‘Wij gaan leren lezen’

‘Wij gaan leren lezen’. Met hoge verwachtingen beginnen de kinderen aan de eerste klas.

Nu komt het erop aan; zij zijn echt groot en gaan behoren tot die geheimzinnige wereld van de grote school. Samengedromd bij de schooldeur, de één verlegen, de ander juist heel druk en overmoedig, staan ze klaar om de drempel over te stappen.

De kinderen willen leren, en de meeste kinderen willen vooral heel veel kunnen. Het is dan vaak ook een grote tegenvaller dat je na een week, laat staan na de eerste dag, nog geen boek kunt lezen, nog geen brief kunt schrijven en nog geen sommen kunt maken. Maar gelukkig komt dat toch al heel snel dichtbij.

De kinderen willen graag alles doen wat juf zegt, want juf kan ons leren schrijven, lezen en rekenen. Wat juf zegt is waar.

Nu zijn ze groot, dat voelen ze zelf zo en daar gaan wij ook op in. We zetten de gewoontes neer die belangrijk zijn voor het leren in de lagere schoolperiode; zo doen we dat hier op school.

Het leren van de schoolgewoontes gaat niet altijd zonder slag of stoot. Veel kinderen hebben halverwege het jaar een dip, waarin ze graag weer eens op bezoek gaan in de kleuterklas.

In de eerste klas werken we aan structuur en duidelijkheid, zodat de kinderen weten hoe het op school gaat. Bij structuur hoort ook een stuk vorm. Voor sommige kinderen is het nog lastig om in die vorm te passen, anderen konden bijna niet wachten om in die vorm te stappen. Stil op je plek zitten, vinger opsteken als je iets wil zeggen, naar een ander luisteren, lopen over de gangen, voor elkaar zorgen, eind van de schooldag je stoel op tafel zetten etc.

En dan het leren zelf. Er worden vormen gelopen, groot in de lucht getekend of wat kleiner op papier. Er wordt heen en weer gesprongen op de getallenlijn, gestampt en geklapt om de tafelrijen te leren herkennen. Hinkelen, springen, springtouwen en kringspelen maken deel uit van de lesstof. Eerst doen, dan beleven en tenslotte begrijpen.

In de eerste klas wordt de overgang gemaakt van het meer impliciete leren van de kleuterklas, naar het expliciete leren van de lagere school.

De vertelstof van het eerste jaar bestaat uit volkssprookjes zoals die bijvoorbeeld door de gebroeders Grimm bijeen zijn gebracht. Tijdens het verhaal wordt het stil in de klas. Dromerig leven de kinderen mee met de verhalen waarin het goede altijd overwint.

II · Klas 2 (Groep 4)

Dialoog

De tweedeklasser heeft de kleuterwereld definitief achter zich gelaten, maar de fantasie en de beweeglijkheid zijn nog volop aanwezig. Steeds meer komt het individuele van het kind naar voren. Onder andere heeft dit te maken met de zichtbaar wordende temperamenten. De tweedeklasser uit vrijelijk zijn energie; praat, maakt veel lawaai, heeft vechtlust, kortom, hij verbergt niets. Het hart van een tweedeklasser ligt op zijn tong en zijn blik op de wereld is aangescherpt. Ze wijzen elkaar op eigenschappen die ze niet, of juist wel, waarderen. Ze zoeken grenzen op en proberen deze uit. Dit zorgt soms voor botsingen en onenigheid tussen de kinderen. Openhartig, spontaan en meelevend zijn ze wanneer situaties worden nabesproken.

Het thema van de tweede klas, dat in verschillende lessen verweven is, is te karakteriseren met het woord “dialoog”. Zo vind je in de schilderlessen de oefeningen met complementaire kleuren, in de vormtekenlessen de spiegeloefeningen, in de muzieklessen vraag- en antwoordliedjes en in de vertelstof de gesprekken met de dieren onderling en de heiligen in gesprek met zichzelf of het Goddelijke.

De verstelstof van de tweede klas is die van de fabels en heiligenlegenden. In de fabels worden dieren met menselijke karaktereigenschappen op scherpzinnige wijze neergezet. De menselijke eigenschappen zijn aan de dieren toebedeeld en uitvergroot. Daartegenover staan de heiligenlegenden, waarin de mens, vaak na een innerlijke strijd, zijn kracht aan de wereld schenkt. Ze komen tot inzicht; zowel uit de fabel als uit de legende spreekt een natuurlijke moraal, waarbij een oordeel over goed en kwaad onuitgesproken blijft.

In de tweede klas leren de kinderen om langer dan voorheen achter elkaar door te werken, met de benodigde concentratie. Het denkleven en geheugen worden zelfstandiger en krachtiger. De zelfredzaamheid en de luisterhouding nemen toe, en ze willen graag leren. Alles wat hen aangereikt wordt, nemen ze gretig tot zich.

III · Klas 3 (Groep 5)

‘Thuis raken in de wereld om je heen’

‘Thuis raken in de wereld om je heen’ is het centrale thema van de derde klas.

Hoe leven en werken wij? En hoe verhoud ik me tot andere mensen? In veel lessen wordt aandacht besteed aan ambachtelijke vaardigheden. Hoe werkt een boer of een molenaar? Hoe maak je van graan brood? Hoe kan ik mijn techniek bij het schrijven of het schilderen verbeteren?

Er wordt wel gezegd dat kinderen in de derde klas hun ‘gouden kindertijd’ afsluiten. De kinderen stappen in de cultuur, ze worden een kind van hun tijd. Ook uiterlijk is dat zichtbaar. Opeens worden bepaalde kleren afgedankt of is er een duidelijke voorkeur voor een bepaalde haardracht.

Derdeklassers zijn nieuwsgierig en zeer leergierig. Voortdurend wordt gevraagd hoe het zit. Iets weten, ergens verstand van hebben, of iets goed kunnen, wordt de graadmeter waarlangs ook volwassenen steeds meer worden beoordeeld. Het is een voorbode van de ontwikkeling die zich het volgende jaar zal voortzetten. In de derde klas wisselen kinderen nog sterk in hun verhouding tot autoriteit. Het ene moment wordt er kritisch naar de leerkracht gekeken en het andere moment is dat wat de leerkracht zegt nog wet.

Voor het eerst beginnen vriendschappen te ontstaan die veel langer duren en emotioneel diep ingrijpen.

In de vertelstof horen de kinderen de verhalen uit het Oude Testament. Daarin verlaten de mensen het paradijs en komen er telkens weer leiders die het volk voor gaan. Uiteindelijk bereiken ze het beloofde land. Het is een beeld voor de ontwikkeling die de derdeklassers zelf ook doormaken; die van de steeds verder vorderende individualisering. Het ik en het werelddenken.

In de rekenperiodes wordt aandacht besteed aan het rekenen met geld en alle facetten van geldverkeer. Basisvaardigheden zijn geautomatiseerd, bij technisch lezen, rekenen en spelling is de basis gelegd.

In taalperiodes of taallessen leren kinderen bij het zelf schrijven en bij het lezen de verschillende tekstsoorten kennen. Ook let de leerkracht op ambachtelijke facetten van de verzorging, zoals het leren gebruiken van de juiste interpunctie. De kinderen kunnen met steeds meer afstand naar taal kijken en over taal spreken met elkaar. Bij handwerken breien kinderen vaak een eigen muts, als symbool om bij jezelf te kunnen zijn, om jezelf te kunnen afsluiten.

In de heemkundelessen leren de kinderen naast de ambachten ook specifieker ervaren wat een boerenbedrijf inhoudt. Ook wordt er een huizenbouwperiode gepland. Kinderen leren hierin alles over huizen en de verschillende beroepen die hierbij komen kijken, maar vaak ontwerpen ze ook een eigen huis of hut. Wanneer er een huis gebouwd wordt, sluit je dat af met een dak, zodat er plotseling een verschil ontstaat tussen binnen en buiten. In de overgang van de derde naar de vierde klas maken kinderen ook een grote stap in het ervaren van hun binnenwereld en de buitenwereld.

IV · Klas 4 (Groep 6)

Met afstand naar de wereld kijken

Een vierdeklasser kijkt met meer afstand naar zichzelf, zijn klasgenoten en de wereld. Het besef dat iedereen anders is en daarbij ook eigen-aardigheden heeft dringt in volle omvang door tot de kinderen.

Dit 'wakker' worden maakt onzeker en roept emoties op. Kinderen worden plots overspoeld door groot verdriet of worden weer bang in het donker. 'Stoer' of brutaal gedrag wordt ineens zichtbaar. Onzekerheden uiten zich.

Deze fase biedt ook ruimte, een nieuwe wereld gaat open. In klas één tot en met drie startte de dag met 'Het liefdelicht der zon, verheldert mij de dag ...'. Vanaf de vierde klas beginnen de kinderen de dag met 'Ik zie rond in de wereld, waarin de zon haar licht zendt ...'. De kinderen stellen zich actief op in de wereld.

In de lesstof zien we terug dat de vierdeklasser niet alleen met meer afstand naar zichzelf kijkt, maar ook dat hij zichzelf in tijd en ruimte leert plaatsen. Bij aardrijkskunde leren de kinderen plattegronden tekenen, ze leren de wereld van bovenaf te bekijken. Bij het rekenen worden de breuken geïntroduceerd, waarbij de kinderen kennis maken met een heel nieuwe wereld aan getallen die zich tussen de “vertrouwde” 0 en 1 bevinden en dat het getal 1 dezelfde waarde blijkt te hebben als 2/2 of 45/45. Ze leren dat je in taal kunt uitdrukken dat gebeurtenissen zich kunnen afspelen in verleden, heden en toekomst.

De vertelstof van dit jaar, de Edda, bevat moedige verhalen over een strijd tussen de goden en natuurwezens als reuzen en dwergen. Voor de goden dreigt de ondergang. Deze verhalen zijn de verbeelding van wat de kinderen in klas vier innerlijk beleven: wat is verdwijnt, iets nieuws gaat komen. De ondergang is onvermijdelijk en gebeurt niet zonder slag of stoot, maar na de ondergang komt de opstanding van de nieuwe mens. Dát is het perspectief dat de Edda de kinderen biedt: 'Jullie oude wereld ligt achter jullie, daar kan je niet meer naar terug, maar een nieuwe wereld ligt voor je!'. Moedige verhalen voor kinderen die wel wat moed kunnen gebruiken in deze fase van hun leven.

V · Klas 5 (Groep 7)

Grotere verbanden

In de vijfde klas vormen de kinderen vaak een hechte groep. Het wordt minder vanzelfsprekend om de volwassenen bij hun leven te betrekken. De kinderen praten graag met elkaar over wat hen bezighoudt. Ze zijn meelevend en nemen steeds krachtiger stelling tegen onrecht. Regelmatig gaan ze daarbij over de schreef, want genuanceerd oordelen is nog ingewikkeld. Het is ook de klas waarin pest- en plaag gedrag ineens kan ontaarden. Klassengesprekken waarin de kinderen leren naar elkaar te luisteren en zich tegenover elkaar uit te spreken zijn van groot belang. Het denken wordt onderzocht, er wordt geëxperimenteerd met standpunten, ze nemen stelling en vergelijken de verschillende gezichtspunten.

In de lesstof worden steeds grotere verbanden gelegd met de mens in het hier en nu. In de periode aardrijkskunde bijvoorbeeld volgen de kinderen het ontstaan van een op het eerste gezicht alledaags product dat zij in huis hebben. Ze gaan na welke weg dat product afgelegd heeft, voordat het bij hen thuis was. Bij het onderzoek naar deze weg ontdekken ze dat heel veel mensen betrokken zijn geweest en dat die mensen op de één of andere manier met elkaar te maken hebben of zelfs van elkaar afhankelijk zijn. Met verwondering en eerbied kunnen ze nu naar deze producten kijken.

In de geschiedenisperiode wordt een overzicht gegeven van de oude culturen; van Babylonië, India, Perzië, Egypte tot en met die van de Grieken.

Bij plantkunde krijgen de kinderen een overzicht van alle soorten en families, van paddenstoelen, naar mossen en varens tot meer complexe plantvormen.

Dit jaar is de vertelstof de Griekse mythen en sagen, waarin de Goden worstelen met menselijke eigenschappen als jaloezie en wraakzucht en waarin de innerlijke belevingswereld van Griekse helden meebeleefd wordt. De mythologische verhalen verschuiven steeds meer naar geschiedkundige gebeurtenissen.

VI · Klas 6 (Groep 8)

Waarheid, recht en het naderende VO

In de zesde klas gaat de vanzelfsprekendheid van de wereld verloren. Het goede overwint niet altijd meer. De naderende puberteit kondigt zich aan. Rechtvaardig zijn, consequent zijn en de waarheid spreken staan hoog op de agenda in de klassengesprekken. Het is ook de klas waarin de kinderen opeens serieus willen werken. De kinderen vragen om duidelijke regels en sancties, wanneer er wordt afgeweken van de afspraken. Ze willen inzicht in het handelen van de leerkrachten. Wanneer ze weten waarom ze de dingen moeten leren, kunnen ze een grote betrokkenheid tonen. De leerkrachten moeten daarom hun houding naar de kinderen toe veranderen en mogen meer de rol van begeleider en bewaker van processen aannemen.

Waarheid, rechtvaardigheid en exactheid zijn zaken waardoor de zesdeklasser de schoonheid van dingen wil ervaren. Hierbij komt het ethische soms in het gedrang. Deze gewetensconflicten worden gretig onderzocht. In de vertelstof worden deze conflicten ook zichtbaar. De vertelstof is tegelijk geschiedenisstof. Tal van verhalen uit de Romeinse geschiedenis en de vroege middeleeuwen nodigen uit om innerlijke en ethische conflicten beleefbaar te maken. De zesdeklasser kiest hierbij partij en zal zijn standpunt tot het bittere eind verdedigen.

In de periode middeleeuwen wordt de geschiedenis van het christendom naast die van de islam besproken. De biografieën van Mohammed en van Karel de Grote worden bijvoorbeeld bestudeerd. Encyclopedieën, informatie van het internet, informatie teksten uit studieboeken worden gelezen en vergeleken. Wat is de waarheid? Hoe denken de volwassenen daar over? De kinderen beginnen zich in te leven in verschillende standpunten naast elkaar – in debatten leren ze meningen te verwoorden die niet de hunne zijn.

Voor het eerst krijgen de kinderen natuurkunde – fenomenen uit de gebieden licht, warmte, geluid, magnetisme en statische elektriciteit worden bekeken en daarin worden wetmatigheden ontdekt en geformuleerd: ik had, ik deed, ik zag en ik concludeerde. In de meetkunde periode construeren kinderen hun tekeningen met grote precisie. Ze leren dat daardoor schoonheid kan ontstaan en dat elke minimale afwijking van lijn of cirkel de geometrie verstoort. Op deze wijze scholen kinderen onder andere hun exacte waarneming. Wanneer hun tekeningen die tenslotte met geduld en zorgvuldig gekozen kleuren zijn afgewerkt, in de school hangen, stijgen de zesdeklassers nog meer in aanzien in de hele school – overal wordt hun werk uitgebreid bewonderd en besproken door kinderen uit lagere klassen. De zesdeklassers zijn met recht de klas geworden waartegen de andere kinderen opkijken; ze zijn de oudsten van de school.

Periodeschrift

Elke periode werken kinderen in hun eigen periodeschrift: een zelfgemaakt werkboek met tekeningen en teksten over de leerstof van die weken.

Vaklessen

Naast periodeonderwijs zijn er vaste vaklessen: taal, rekenen, euritmie, muziek, handwerken en vreemde talen, verspreid over de week.

Jaarfeesten als jaarritme

De jaarfeesten structureren het schooljaar en verbinden de klassen met elkaar en met het ritme van de seizoenen.

Kom langs

Kom de sfeer proeven.

Plan een persoonlijke kennismaking met ons team, of bezoek een van de informatieochtenden per jaar.